Geschiedenis

Op 10 mei 1940 valt het leger van de Nazi leider Adolf Hitler Nederland binnen onder valse voorwendselen ondanks de belofte ons land te ontzien. Enkele dagen na de inval is de capitulatie (overgave) getekend in Ridderkerk, in het pand waar nu het Johannes Post museum is gevestigd. Deze capitulatie volgt op het hevige bombardement door de Duitsers op Rotterdam. De machtsovername geeft de bezetter alle mogelijkheden zijn ziekelijke idealen met kracht na te streven. Onze wetten gelden dan al niet meer. Recht is ver te zoeken. Het "recht" van de sterkste gaat nu gelden. Onderdrukking, vervolging en verdrukking zijn de nieuwe werkwoorden, maar ook, van de andere zijde: Verzet, vrijheidsstrijd, ondergronds werk, illegaliteit, tolerantie, geloof en hoop werden waarden met een extra betekenis. Haat, gekweekt in een Naziregime leidt tot vervolging van gehandicapten, Joden en zigeuners. Iedereen die niet mét en vóór de Duitsers is wordt als tegenstander gezien. Het wantrouwen is groot, ook onder Nederlanders onder elkaar, want er zijn landgenoten die het met de vijand, de Duitsers houden. Dat zijn de NSB'ers (Nationaal Socialisten Bond met Anton Mussert als hun leider) en je weet nooit precies wie daar bij hoorden en (op) wie je kon vertrouwen. Vervolgden moesten onderduiken als ze nog weg konden komen vóórdat ze opgepakt werden. Er moesten onderduikadressen gezocht en gevonden worden. Zo ontstond de LO; Landelijke organisatie voor onderduikers. De families Post waren daar al vanaf het begin bij betrokken. Onderduikers kwamen overal op de gekste plaatsen terecht; soms in een hol in de grond, Bij razzia's (soort drijfjacht op mensen) moesten onderduikers letterlijk duiken tot hun neus in het ijskoude water waar ze onderkoeld weer uitkwamen als de kust weer veilig was! Al die onderduikers moesten voorzien worden, van eten en kleding En roken was nog normaal, bijna iedereen rookte, sommige pruimden, dus aan tabak was behoefte. Er was bijna niets meer te koop op een gegeven moment doordat de Duitsers alles op de bon deden. Vooral toen er persoonlijke stamkaarten werden ingevoerd werd het nijpend! Om toch aan bonnen te komen moesten de mensen van het verzet gewapende overvallen plegen op gemeentehuizen of distributiekantoren. Bij gemeentehuizen werden de bevolkingsregisters weggehaald om te voorkomen dat jonge mannen werden opgeroepen en weggevoerd naar Duitsland om daar in de oorlogsindustrie te gaan werken of bij boeren te werk werden gesteld, wier zonen in het Duitse leger waren gemobiliseerd. Johannes en Marinus vormden KP's (KnokPloegen) om overvallen voor te bereiden en uit te voeren met hun medestrijders, waarbij de koeriersters onmisbaar en gevaarlijk werk uitvoerden o.a. door het transport van wapens, overbrengen van berichten of verspreiden van illegaal gedrukte krantjes. Sommige van die krantjes zijn na de oorlog blijven bestaan; o.a. Parool, Trouw enz. Uiteindelijk zijn de beide broers door verraad en door domme pech opgepakt en vermoord. Jonge hardwerkende boeren, vaders van grote gezinnen en eigenaren van mooie bloeiende boerenbedrijven; ze hebben alles en zichzelf gegeven voor een ongelijke vrijheidsstrijd.